In 1954 werd tijdens de opgravingen aan de abtswoning een vloer ontdekt, en meteen werd het duidelijk dat dit een uitzonderlijke vondst was. Meer dan 5000 tegels werden in situ – in hun originele positie – blootgelegd. Het patroon bestond uit zowel donkere als lichtgekleurde monochrome tegels alsook handbeschilderde met tinglazuur (fig. 1). De rijkelijk versierde tegelvloer bedekte de abtswoning ca. 1330. Omstreeks 1570 werd de vloer verhoogd met een plankenvloer, waardoor de tegels grotendeels bewaard zijn gebleven (fig. 2). In dit artikel gaan we dieper in op de tinglazuur techniek zelf, de herkomst, en bekijken we een aantal contexten waarin vergelijkbare tegelvloeren zijn gevonden.
Wat is tinglazuur?
Glazuur is een soort glasachtige laag die tijdens het bakken op keramiek smelt en zich vasthecht aan het oppervlak. Het bevat grotendeels dezelfde bestanddelen als gewoon glas. Het mengsel, dat bestaat uit een glasvormer (dit is o.a. zand en kwarts), een smeltmiddel en een aluminiumoxide (zorgt voor een hogere stroperigheid van het gesmolten glazuur), wordt vermalen tot poedervorm en zo op de oppervlakte aangebracht. Door de verhitting in de oven ontstaat de glasachtige laag en veranderen de kleuren (fig. 3). De kleur is afhankelijk van de metaaloxiden in het glazuur. Zo zorgt mangaanoxide voor een bruine of paarse tint. Bij tinglazuur wordt, zoals de naam al prijsgeeft, gebruik gemaakt van tinoxide. Dit zorgt voor de witte kleur en de ondoorzichtigheid van het mengsel. Deze laag wordt aangebracht op een tegel die al één keer gebakken is, en vervolgens kan de schilder de motieven aanbrengen. Ook hier zorgen verschillende metaaloxiden voor de kleuren. De typische groene kleur van de tegels ontstaat door koperoxide. Het schilderwerk vergt veel vakmanschap van de kunstenaar, aangezien de beschildering na het aanbrengen niet meer uit te wissen valt. Ten slotte wordt de tegel een tweede keer gebakken.
Herkomst tinglazuurtegels
Over de herkomst van de tinglazuur techniek is er onder onderzoekers geen eensgezindheid. De meest gangbare theorie is die van Christopher Norton. Hij argumenteert dat de techniek oorspronkelijk vanuit het westelijk Mediterraan gebied overgekomen is naar Frankrijk. Zo zijn er een heleboel sites vlak bij de Middellandse zee waar dergelijke tegels gevonden werden. Tinglazuur was dus geen lokaal, geïsoleerd fenomeen, maar maakte deel uit van het Europees handelsnetwerk. Vervolgens zou de techniek via de Atlantische kust en over land tot bij ons gekomen zijn. In de loop van de 14de eeuw raakte hij verspreid over heel Europa, met vondsten van meerdere sites in o.m. Nederland.
Tinglazuur is geen Westerse uitvinding. Het werd overgenomen uit een andere cultuur en eigen gemaakt. De Perzen in het Oude Nabije Oosten leerden de techniek oorspronkelijk kennen door contacten met China, en vervolgens kwam het via handel in Europa terecht.
Over de verspreiding van de techniek is er nog geen volstrekte duidelijkheid. Vermoedelijk werden niet zozeer de tegels, als wel de skills zelf geïmporteerd. Tegelateliers lieten een vakman met kennis van de tinglazuurtechniek overkomen om ze te maken, en leerden zo eventueel zelf de geheimen van het vak. Norton haalt het voorbeeld aan van het “atelier van de Garonne-vallei” dat de techniek via de Spaanse dochterabdij van de abdij van Grandselve zouden hebben leren kennen. Een tegelmaker zou naar Spanje getrokken zijn en daar de kennis hebben opgedaan, en bracht die vervolgens terug mee naar Frankrijk. Dit is slechts een theorie die enkel op dit specifieke atelier betrekking heeft, en die kan men niet zomaar toepassen op alle andere sites.
Het kan dat de tegelvloer van de abtswoning elders vervaardigd is en in afgewerkte staat tot Koksijde getransporteerd werd. In de meeste gevallen was de tegelbakkerij wel telkens in de omgeving van de bouwsite. Om tegels te bakken is er nood aan klei, zand, water en brandstof – alle vier waren voorhanden in de regio. Ander materiaal zoals metaaloxiden of witte klei konden van elders komen. Zonder concreet bewijs, dat we enkel door verder wetenschappelijk onderzoek van de klei kunnen bekomen, kunnen we hier geen definitieve uitspraken over maken. Bovendien was Spaanse majolica uit de 15de eeuw wél tot Koksijde gekomen via import – wat aantoont dat de abdij wel degelijk over de middelen beschikte om onder andere tegels te laten overbrengen. Maar dat is alweer een eeuw later.
Tinglazuurtegels: overwegend in een religieuze context?
Als we kijken naar de context waarin tinglazuur tegels worden gevonden, zijn dat vaak religieuze contexten. Ze komen ook voor in burgerlijke gebouwen zoals kastelen of stadswoningen. Het vaakst voorkomend zijn abdijen, zoals Ten Duinen. Bij de vondsten in kastelen gaat het vaak over de kapel die bij het kasteel hoorde, zoals in het kasteel van Suscinio in Bretagne (fig. 4). Een ander voorbeeld is de kapel bij het paleis van kardinaal Bertrand du Pouget (†1352) in de Franse gemeente Villeneuve-lès-Avignon. Het is evenwel geen wet van Perzen en Meden. In Utrecht werd de vloer gevonden in een woning van een seculier kanunnik (fig. 5). Dat is een semi-religieuze context, aangezien het huis behoorde tot het kapittel. In Frankrijk werden daarentegen enkele tinglazuurtegels gevonden in het kasteel van Châlucet (Haute-Vienne): ze zouden afkomstig zijn uit de staatsievertrekken van het kasteel en mogelijks zelfs uit de slaapkamer van de eigenaar (fig. 6). Die tegels moeten dan in een niet-religieuze omgeving gesitueerd worden.
Dit alles geeft geen volledig beeld over de plaatsen waar tinglazuurtegels effectief voorkwamen, enkel de huidig bekende sites! Dit noemt men the accident of survival, of het toeval van de overleving. Christopher Norton haalde dit al aan: het is niet omdat de meeste vloeren in cisterciënzerabdijen gevonden zijn, dat ze daar in de middeleeuwen zelf ook overheersend voorkwamen. Hetzelfde geldt voor de religieuze context binnen seculiere gebouwen; kapellen waren doorheen de tijd minder onderhevig aan verandering dan slaapkamers en staatsievertrekken. Dat er in dit soort kamers nog niet veel vondsten zijn wil daarom nog niet zeggen dat ze er nooit waren.